Archivarissen

Collectie

Objecten

Geavanceerd zoeken
  • Gregorius Johannes Jacob (Johan) Pot (1884-1950, gemeentesecretaris/gemeentearchivaris 1922-1932)
    Als gemeentesecretaris nam Pot na Kespers vertrek het archivariaat "erbij". Zijn belangrijkste ambtelijke resultaat is de inventaris van het omvangrijke oud-notarieel archief van Gouda, die hij in 1927 voltooide en die - met latere aanvullingen en verbeteringen van Van Hattum, Geselschap en Van der Saag - nog altijd de toegang is tot een van de meest geraadpleegde bestanden van het streekarchief. In zijn periode speelde bovendien de zogenoemde Goudse archiefkwestie, waarbij archieven tijdelijk buiten Gouda waren ondergebracht en die veel onrust veroorzaakte. Deze eindigde met het raadsbesluit van 17 december 1931 om een beroepsarchivaris aan te stellen, waarna de archieven naar Gouda terugkeerden; indirect leidde Pots periode dus tot de professionalisering van de archiefdienst. Minstens zo belangrijk was Pot als popularisator van het archief. Hij schreef vele tientallen artikelen over de Goudse geschiedenis in de Goudsche Courant en de Nieuwe Zuid-Hollander, gebaseerd op eigen archiefonderzoek: reeksen over de bruggen ("Gouda in de Middeleeuwen een Hollands Venetië"), de vestingwerken en vooral de straatnamen (1950-1951). Die laatste reeks, waaraan hij tot vlak voor zijn dood op 16 november 1950 werkte, vormde de basis voor de latere straatnamenboeken van dr. A. Scheygrond.
  • ds. Jacobus Nicolaas Scheltema (1821-1895, archivaris 1877-1879)
    Nadat de algemeen rijksarchivaris in zijn jaarverslag over 1871 had gewezen op de slechte toestand van het Goudse oud-archief en de minister van Binnenlandse Zaken de gemeente tot verbetering had aangespoord, kregen ds. J.N. Scheltema, remonstrants predikant te Gouda, en dr. C.A. Tebbenhoff, leraar geschiedenis aan de Rijks HBS, opdracht het verwaarloosde stadsarchief te ordenen. De naderende herdenking van 600 jaar stadsrechten (1872) had de belangstelling voor het verleden aangewakkerd. In 1876 konden zij melden dat in de chaos orde was gebracht; hun inventaris werd in 100 exemplaren gedrukt en was daarmee de eerste gedrukte toegang op het Goudse stadsarchief. In 1877 werd Scheltema benoemd tot de eerste archivaris van Gouda, zij het voor slechts een uur per week. Zijn inventaris kreeg destijds een ongunstige recensie van dr. P.L. Muller, die vond dat de bewerkers te veel respect voor de oude orde hadden getoond - een "gebrek" dat later juist als verdienste werd gezien, omdat de oorspronkelijke ordening zo bewaard bleef. De inventaris deed bijna negentig jaar dienst, tot de herinventarisatie van 1965. In 1879 werd Scheltema wegens vertrek uit Gouda ontslagen, waarna de gemeentesecretaris de functie tot 1892 waarnam en zich er, in de woorden van een latere opvolger, "niet druk om maakte".
  • mr. Dirk Nicolaas Brouwer (1849-1919, gemeentesecretaris/waarnemend archivaris ca. 1879-1892)
    Nadat de eerste stadsarchivaris Jacobus Nicolaas Scheltema in 1879 vertrok, bleef de functie van archivaris in Gouda dertien jaar lang vacant. De taak werd als waarneming toebedeeld aan de gemeentesecretaris, een periode waarin er vrijwel niets met de documenten gebeurde; een latere opvolger noteerde in 1965 droogjes dat de secretaris "zich hierin niet druk gemaakt" heeft. Hoewel historische inleidingen zijn naam vaak in het midden laten, wijzen andere bronnen en bekendmakingen in de Goudsche Courant resoluut naar mr. Dirk Nicolaas Brouwer als de man die het archivariaat er destijds 'bij' had. Hoewel er een kleine kans is dat de allereerste maanden na Scheltema's vertrek nog onder de vorige secretaris, Droogleever Fortuijn, vielen, droeg Brouwer gedurende het overgrote deel van de periode tussen 1879 en 1892 de formele verantwoordelijkheid voor het slapende stadsarchief. Brouwer, in 1849 geboren in Batavia (het huidige Jakarta), promoveerde in 1876 in de rechten aan de Universiteit Leiden en bouwde vervolgens een langdurige ambtelijke carrière op in Gouda. Hij woonde aan de Lage Gouwe en diende de stad decennialang als gemeentesecretaris onder de burgemeesters Van Bergen IJzendoorn en Martens. Pas in juli 1892 droeg hij zijn archieftaken over toen de Gasthuiskapel als eerste echte archiefbewaarplaats werd ingericht en dr. L.A. Kesper als professionele archivaris aantrad. Brouwer bleef daarna nog jarenlang actief in de Goudse politiek en overleed in 1919.
  • dr. Lodewijk Albert Kesper (1857-1926, gemeentearchivaris 1892-1922)
    Na lang aandringen van de minister richtte Gouda in 1892 de voormalige Gasthuiskapel in als archiefbewaarplaats - het eerste echte depot van de stad - en benoemde dr. L.A. Kesper, conrector en later rector van het gymnasium, tot archivaris. Hoewel formeel een amateur, had hij naar het oordeel van zijn opvolgers goed begrip van de beginselen van archiefordening, die juist in de maand van zijn benoeming (juli 1892) in de jonge vereniging van archivarissen werden geformuleerd. Onder zijn dertigjarige beheer werden herhaaldelijk grote hoeveelheden vervuilde en ongeordende stukken naar de bewaarplaats overgebracht en via lijsten voorlopig toegankelijk gemaakt. Zijn duurzaamste resultaat is de inventaris van de oude rechterlijke archieven van Gouda (schepenbank en aanverwante colleges), die - met latere aanvullingen van Geselschap en Van der Saag - tot op heden de toegang tot dit veelgebruikte bestand vormt. Daarnaast verbond Kesper archief en geschiedbeoefening: hij publiceerde onder meer over de geschiedenis van de Latijnse school en het gymnasium (1897; in 1964 postuum aangevuld heruitgegeven door Geselschap) en maakte het archief tot werkplaats voor lokaal-historisch onderzoek. Hij overleed in 1926 in Den Haag; zijn gelijknamige zoon, geboren in Gouda in 1892, werd later commissaris van de Koningin in Zuid-Holland.
  • dr. Margaretha Anna Catharina Magdalena (Greta) van Hattum (1905-1995, gemeentearchivaris 1932-1944)
    Van Hattum was de eerste beroepsarchivaris van Gouda: op grond van het raadsbesluit van 17 december 1931 werd zij in 1932 voor drie dagen per week aangesteld, waarmee de archiefkwestie werd beëindigd en de archieven naar de stad terugkeerden. Zij bracht ervaring mee van het Koninklijk Huisarchief en het archief van het Meisjeshuis in Delft, combineerde het Goudse archivariaat met dat van Oudewater en was daarmee in het vooroorlogse Nederland een van de weinige vrouwelijke gemeentearchivarissen. Haar grootste wapenfeit is de wetenschappelijke ontsluiting van het archief dat zij beheerde: in 1934 promoveerde zij in Leiden op "De patriotten te Gouda", vrijwel geheel gebaseerd op het Goudse stadsarchief en het enige vooroorlogse proefschrift over het revolutietijdvak dat op één stad is gericht. Daarnaast verbeterde en vulde zij de notariële inventaris van Pot aan en was zij actief in de oudheidkundige kring Die Goude, waarvoor zij in 1941 publiceerde. Na haar Goudse periode bleef zij tot in de jaren zestig archivaris van Oudewater.
  • dr. Johannes (Jan) Taal (1893-1973, gemeentearchivaris 1944-1963)
    Taal, afkomstig uit Nieuw-Beijerland, kwam via het archiefexamen en werkzaamheden bij het Algemeen Rijksarchief en het Leidse gemeentearchief (waar hij in 1943 wetenschappelijk assistent was) midden in de oorlog naar Gouda: in 1944 trad hij aan als stadsarchivaris, ruim vijftig jaar oud. Zijn blijvende verdienste is de ontsluiting van de middeleeuws-kerkelijke archieven. In 1957 verscheen zijn inventaris "De archieven van de Goudse kloosters", met regesten, waarmee dit voor de stadsgeschiedenis cruciale materiaal voor het eerst systematisch toegankelijk werd. Hij bekroonde dat werk in 1960, inmiddels op leeftijd, met het proefschrift "De Goudse kloosters in de middeleeuwen", nog altijd het standaardwerk over dit onderwerp. Onderzoekers van buiten, zoals I.H. van Eeghen bij haar uitgave van het dagboek van broeder Wouter Jacobsz, bedankten hem uitdrukkelijk voor zijn hulp. Taal liet het archief bovendien een blijvend werkinstrument na: de "Collectie Taal", zo'n drie meter aantekeningen over onder meer de Goudse kloosters en geestelijkheid, die bij het Streekarchief Midden-Holland nog steeds als een schat aan gegevens voor onderzoekers geldt. Hij overleed in 1973; zijn opvolger Geselschap schreef het In Memoriam.
  • mr. Jan Elizeus Julius Geselschap (1913-1992, gemeentearchivaris 1964-1985)
    Geselschap, jurist en eerder werkzaam bij het Haags Gemeentearchief (waar hij in 1963 het overzicht van de Haagse archieven mede samenstelde), werd de grote herinventarisator van Gouda. Kort na zijn indiensttreding koos hij voor een "radicale aanpak": hij ordende het gemeentearchief 1816-1912 summier, splitste archieven af die met het oud-archief vermengd waren geraakt (Leproos- en Proveniershuis, gilden, bank van lening, gymnasium), zocht de herkomst van losse stukken uit (onder meer het legaat Kemper) en haalde archiefstukken terug die het museum als aankleding had gebruikt. Het resultaat was de nieuwe inventaris van het oud-archief (1965), die de verouderde toegang van 1876 verving en nog steeds de ruggengraat van de Goudse toegangen is. Daarop volgde een reeks andere toegangen: de inventarissen van de gasthuisarchieven (St. Catharinagasthuis, St. Elisabethgasthuis en Bestedelingenhuis, 1966) en van het Verenigd Wees- en Aalmoezeniershuis (1970), en de regestenlijst van het oud-archief 1272-1572, waarop C.H.J. Helders de index maakte. Ook vulde hij de oudere inventarissen van Kesper en Pot aan. In 1978 keerde bovendien de kaartencollectie uit het museum terug naar het archief.
  • drs. B.J. (Bert) van der Saag (1943-heden, streekarchivaris 1986-2000)
    Van der Saag kwam in 1978 bij het Goudse archief en gaf als eerste streekarchivaris leiding aan de omvorming van de gemeentelijke dienst tot de Streekarchiefdienst Hollands Midden, waarin naast Gouda ook Moordrecht, Nieuwerkerk aan den IJssel, Waddinxveen en Zevenhuizen-Moerkapelle deelnamen. Daarmee legde hij de regionale grondslag van het huidige Streekarchief Midden-Holland. Onder zijn leiding werd de publieksfunctie uitgebouwd: het regionaal-historische tijdschrift De Schatkamer kreeg een vaste plaats, er kwam een Stichting Vrienden van archief en librije, in het archief werden cursussen lokaal-historisch onderzoek gegeven en er was structurele zorg voor bijzondere collecties zoals de stadslibrije en de oorlogsdocumentatie (waarvan onder meer de affiches rond 1990 werden geïnventariseerd). In deze jaren begon ook de stapsgewijze automatisering van de toegangen. Zijn persoonlijke stempel staat vooral op de toegangen zelf: van 1978 tot 2008 vulde hij vrijwel alle bestaande inventarissen aan en corrigeerde ze - van het oud-archief en het oud-rechterlijk archief tot het notarieel archief en de collecties. Die bewerkingen vormen de kern van de inventarissen zoals ze tegenwoordig online raadpleegbaar zijn.
  • drs. Sigfried Marius Johannes Janzing (1960-heden, streekarchivaris 2001-2021)
    Janzing leidde de dienst 21 jaar en drukte vooral zijn stempel met de herhuisvesting. De publieksfuncties verhuisden in 2014 naar de Chocoladefabriek, waar het streekarchief samen met de bibliotheek en een drukkerswerkplaats een vernieuwend, laagdrempelig "huis van het verhaal" vormt; de depots verhuisden naar het moderne Gouwedepot. Daarmee kreeg het archief zowel een eigentijdse publieksplek als een duurzame bewaaromgeving. Daarnaast realiseerde hij schaalvergroting: onder zijn leiding fuseerde de dienst met het streekarchief Krimpenerwaard, waarmee het werkgebied groeide tot vijf gemeenten (Gouda, Krimpen aan den IJssel, Krimpenerwaard, Waddinxveen en Zuidplas) plus de Omgevingsdienst Midden-Holland, en kwamen steeds meer bronnen digitaal beschikbaar. Janzing verbreedde ten slotte het collectiebeleid naar de hele samenleving: exemplarisch is de coronacollectie die het streekarchief in 2020 opzette met een publieksoproep om documenten, foto's en filmpjes over het dagelijks leven in de regio, "zodat men in de toekomst een goed en eerlijk beeld krijgt van deze periode". Na zijn pensionering bleef hij korte tijd betrokken, onder meer als interim-directeur van Libertum (het voormalige Verzetsmuseum Zuid-Holland).
  • drs. Cornelia Aletta (Coretta) Bakker-Wijbrans (1975-heden, streekarchivaris 2022-heden)
    Bakker-Wijbrans is een product van de eigen organisatie: zij werkt sinds 2001 bij het streekarchief als coördinator externe dienstverlening, presentatie en communicatie en was vanaf 2017 adjunct-directeur. Vanuit die publieksrol deed zij kort voor haar benoeming, op verzoek van de gemeenteraad, onderzoek naar de onteigening en doorverkoop van Joods vastgoed in Gouda tijdens en na de Tweede Wereldoorlog; het rapport ging naar de raad en vormde de basis voor gesprekken van de gemeente met erfgenamen - een voorbeeld van maatschappelijk relevant archiefonderzoek. Als directeur-streekarchivaris (per 1 januari 2022) is haar kernopdracht de digitale transitie: het begeleiden van medewerkers en gemeenten in een steeds complexere informatieomgeving en de ontwikkeling van een e-depot (2023-2026), zodat ook digitaal erfgoed duurzaam bewaard en toegankelijk blijft. Een eerste grote hybride aanwinst onder haar leiding was het Gouda750-archief, dat in december 2022 werd overgedragen en waarvan het digitale deel in het e-depot wordt opgenomen.