Religieuze gebouwen

Collectie

Objecten

Geavanceerd zoeken
  • Brigittenklooster
    Omstreeks 1476 werd in Gouda het Brigittenklooster (een vrouwenklooster) gesticht. Het complex lag tussen de Vest en de Raam. In 1551 verlieten de zusters min of meer gedwongen het complex, dat ter beschikking werd gesteld aan de regulieren van Stein, nadat hun klooster Emmaüs door brand was verwoest. Vandaar dat vanaf die tijd het klooster het Regielerenklooster (een mannenenklooster) werd genoemd. Na de hervorming werden in de periode 1576 tot 1580 zowel het klooster als de bijbehorende kerk afgebroken. Het vrijkomende bouwmateriaal werd gebruikt voor de verbouwing van het Mariaklooster tot een opvanghuis voor melaatsen. De laatste prior van het klooster Wouter Jacobsz. Maes, heeft van de gebeurtenissen in de jaren 1572 tot 1579 verslag gedaan in de vorm van een dagboek van vierhonderd folio.
  • Catharinaklooster
    Het Catharinaklooster (een vrouwenklooster) was een complex van de tertiarissen die leefden naar de derde regel van de orde van Sint-Franciscus. Het klooster was waarschijnlijk gesticht door Yde Engebrachtsdochter en werd daarom ook wel Suster Ydeconvent genoemd. Het klooster lag tussen de Tiendeweg, de Houtmansgracht en de Groeneweg en grensde aan het Cellebroedersklooster. Na de hervorming heeft het kloostercomplex nog wel een tijdlang gefungeerd als onderkomen voor de nonnen. In 1593 werd het complex in percelen geveild. De Geuzenstraat werd op het terrein aangelegd. De bij het klooster behorende kerk - die lange tijd dienstdeed als opslagplaats voor turf - werd in 1851 afgebroken.
  • Cellebroedersklooster
    Het Cellebroedersklooster (een mannenenklooster) werd gesticht op het eind van de 14e eeuw. De cellebroeders deden dienst als ziekenverzorgers - met name voor pestlijders - in Gouda. Al voor de hervorming was er sprake van grote financiële problemen en van problemen wat betreft het zedelijk gedrag van de kloosterlingen. In 1572 telde het klooster nog slechts één kloosterling. Het complex heeft van 1573 tot 1849 dienstgedaan als Latijnse school, de voorloper van het Coornhert Gymnasium. Daarna werd er een instelling ter wering van de bedelarij in het complex gevestigd. In 1957 werd het gebouw een verzorgingshuis voor ouderen, Huize Groeneweg.
  • Clarissenklooster
    De nonnen van het Clarissenklooster (een vrouwenklooster) leefden vanaf 1486 naar de de regel van Sint Clara. De geestelijke leiding van het klooster was in handen van de minderbroeders. Het complex lag aan de zuidzijde van de Nieuwehaven en ten westen van de huidige Vrouwensteeg. In 1572 werd het klooster geplunderd, maar tot 1592 hebben er nonnen in het klooster gewoond. Daarna werd het complex verkocht. Op een deel van het het complex werd de stadstimmerwerf respectievelijk de stadswerkplaats gevestigd. Ook in de twintigste eeuw was hier de dienst gemeentewerken van Gouda gevestigd. Aan de voorzijde aan de Nieuwehaven stond de brandweerkazerne. Bij de herinrichting van het terrein in 2008 werd de fundering van de vroegere kloosterkapel gevonden.
  • Doopsgezinden Kerk
  • Gouwekerk
    De omwenteling die plaats vond na de reformatie van 1572 betekende tevens het einde van de tien Goudse kloosters. Het minderbroedersklooster werd tot de grond toe afgebroken, maar enkele tientallen jaren later keerden de franciscanen terug als missionarissen. Hun eerste pater was in 1633 de uit Luik afkomstige Gregorius Simpernel. Aanvankelijk droeg hij in het geheim de mis op in particuliere woningen en vestigde zich vervolgens definitief in een huis aan de Hoge Gouwe met de naam Het Cromhout. Het werd een van de schuilkerken, waar het groeiend aantal rooms-katholieken bijeen kwam. Deze huiskerk werd in 1732 vervangen door nieuwbouw, maar brandde in juli 1767 tot de grond toe af. Direct werd een houten loods opgericht om de misvieringen te kunnen voortzetten. Tegelijk lagen de bouwplannen - vermoedelijk van Pieter de Swart - voor een nieuwe kerk al klaar. Die zou 22 meter lang en 13 meter breed worden met negen meter hoge zijmuren met achter het koor een sacristie. Het was een neoclassicistische galerijkerk met een gedrukt gewelf, goed verlicht door de grote ramen in beide verdiepingen. Na het herstel van de hiërarchie in 1853 volgde in 1856 de verheffing tot parochiekerk genaamd Sint-Jozef. De voor de kerk gelegen huizen werden in 1877 afgebroken, waardoor een voorplein ontstond. Na verloop van tijd was de kerk te klein en werd gedacht aan een nieuw bedehuis. Tussen 1902 en 1904 verrees de huidige neo-gotische kerk, maar ontwerp van de architect C.P.W. Dessing, die in de volksmond de naam 'Gouwekerk' kreeg. Ze werd uit rode baksteen opgetrokken in de vorm van een driebeukige kruisbasiliek met een door zijkapellen geflankeerd, vijfzijdig gesloten koor. De beide transeptarmen zijn eveneens vijfzijdig gesloten, de kerk is geheel overkluisd met kruisribgewelven. Ten noorden van het koor werd een ruime sacristie aangebouwd. De tachtig meter hoge toren met zeshoekige houten spits is mede bepalend voor het stadsbeeld. De voorgevel bevat drie portalen met zogenaamde wimbergen (steile topgevels in gotische stijl), geflankeerd door achthoekige traptorens die ter hoogte van de dakvoet door middel van een uitgekraagde loopgang met elkaar zijn verbonden. Binnen zijn aan de muren nog kruiswegstaties te zien, maar veel van de interieurstukken uit de tijd dat het een rooms-katholiek bedehuis was zijn verdwenen. In 1972 besloot het kerkbestuur om het gebouw te verkopen, het onderhoud was een té zware last geworden. Het voortbestaan van de kerk was opeens onzeker, wat tot grote onrust onder de plaatselijke bevolking leidde. De vrees was groot dat de kerk zou worden afgebroken om plaats te maken voor de bouw van woningen. In 1979 kwam de kerk in bezit van de Stichting Johan Maasbach Wereldzending voor het symbolische bedrag van één gulden, maar wel met een restauratieplicht die miljoenen guldens zou vergen. De pastorie naast de kerk is vijftien jaar eerder gebouwd dan de kerk, ook in een neo-stijl, maar in dit geval die van de renaissance. Dat is zichtbaar aan de gepleisterde banden en blokken, het siermetselwerk in de boogtrommels, de zuiltjes en rijke topgevel. De kerk staat er tegenwoordig wat verwaarloosd bij en wacht kennelijk op betere tijden.
  • Jeruzalemkapel
    Vanuit kunsthistorisch perspectief is na de Sint-Janskerk de Jeruzalemkapel zonder twijfel het belangrijkste kerkelijke gebouw in onze stad. Gouda dankt de kapel aan priester Gijsbert Raet, vicaris van het Sint-Andriesaltaar in de Sint-Janskerk, die ergens tussen 1478 en 1487 een pelgrimsreis naar Jeruzalem maakte. Dat waren kostbare, avontuurlijke en niet zelden riskante ondernemingen, maar het leek wel of dat de reizen alleen maar aantrekkelijker maakte. Grotere steden kenden Jeruzalembroederschappen van ex-bedevaartgangers die zorgden voor de bouw van een kapel om te bedanken voor hun behouden terugkeer. Zo ook Gouda, waar de broederschap 8 i.p.v. de vereiste 12 leden telde. Op Palmzondag hield ze een processie, met palmtakken en een houten Christusbeeld, geplaatst op een (houten) ezel. In Gouda was het echter Gijsbert Raet die in zijn eentje de bouw van de kapel bekostigde. Hij koos een locatie naast het collatiehuis, waaraan hij de kapel schonk op voorwaarde dat zij er twaalf missen per week zouden opdragen. Na zijn dood in 1511 werd Raet in zijn kapel begraven. Een replica van zijn grafzerk bevindt zich in de Sint-Janskerk. De helft van het origineel ligt in het MuseumgoudA en de gegraveerde bronzen platen die ooit de grafsteen sierden, maken nu deel uit van de collectie van het Rijksmuseum te Amsterdam. Het bijzondere aan Jeruzalemkapellen, waarvan er ooit vele tientallen in Europa te vinden waren, is dat ze de Heilig-Grafkerk te Jeruzalem imiteren. Omdat de Jeruzalemkapel in Gouda de gaafst bewaarde kapel van dit type in Nederland is, kunnen we ons hier nog heel goed een voorstelling van een complete Jeruzalemkapel maken. Kenmerkend is de sleutelvormige plattegrond, bestaand uit een twaalfzijdig deel en een rechthoekige aanbouw. Het twaalfzijdige deel heeft aan de binnenzijde een koepelvormig gewelf. Vervolgens namen de Heilige Geestmeesters bezit van het broederconvent en vestigden daar het Heilige Geestweeshuis. Of de Jeruzalemkapel daar ook bij werd gevoegd, is niet bekend. Na de omwenteling van 1572 kwam de kapel in handen van het stadsbestuur. Omstreeks 1598 werd de kapel ingericht als vergaderkamer van de aalmoezeniers, een in 1586 gesticht college van armenzorg voor het niet-burgerlijke deel van de stadsbevolking. In de eerste decennia van de zeventiende eeuw namen de aalmoezeniers het tegenover de Jeruzalemkapel gelegen terrein van het voormalige Margarethaklooster in gebruik als weeshuis. Intussen hielden ze de Jeruzalemkapel aan als kantoor, en dat bleef zo tot de samenvoeging van de twee colleges van armenzorg in 1812. In de twintigste eeuw deed zij onder meer dienst als atelier van een glasschilder en als tentoonstellingsruimte van Kunstcentrum Burgvliet. De Jeruzalemkapel kreeg haar huidige uiterlijk grotendeels in de negentiende en de twintigste eeuw. De kapel bezat een in architectonische zin bijzonder uiterlijk. Aan de buitenzijde ziet men in de muurvlakken hoog geplaatste spitsboognissen. Deze waren afwisselend volledig blind of aan de bovenzijde half geopend. Binnen zijn daaronder in enkele muurvlakken nog ronde blindnissen zichtbaar. Het twaalfzijdig stergewelf wordt gedragen door twaalf muurschalken. De veranderingen aan het twaalfzijdige deel zijn minder in het oog lopend, maar niettemin groot. Ten eerste stond het ooit ook aan de oostzijde vrij en had het in negen van de twaalf gevelvlakken vensternissen. Maar dat waren niet allemaal spitsboogvensters zoals nu. Oorspronkelijk waren de wanden om en om voorzien van kleine spitsboogvensters. In totaal waren dat er vier en ze zaten bovendien op grote hoogte. Daaronder was nog plaats voor grote ronde blindnissen, op elk van de negen wanden een. Omstreeks 1860 werd de kapel in neogotische trant gerestaureerd, bij welke gelegenheid hij werd voorzien van de nog bestaande grote spitsboogvensters. Niet alleen aan het uiterlijk, ook aan de inrichting van de kapel besteedde Raet veel aandacht. Zo zorgde hij onder andere voor een altaar met een fraai drieluik en een (handgeschreven!) missaal. Van het interieur weten we dat er in het midden van de twaalfhoek een schaalmodel van het Heilige Graf stond. Waarschijnlijk was dit ook een imitatie van het grafmonument dat in Jeruzalem in de Heilig-Grafkerk te zien was.
  • Kleiwegkerk
    Deccenia lang werd Gouda gedomineerd door de in de volksmond bekende 'Kleiwegkerk'. Voor men met de bouw kon beginnen moest er ruimte gemaakt worden. Zeven huizen en twee pakhuizen werden opgekocht en gesloopt en een stukje braakliggende grond zorgde tezamen voor 1578 vierkante meter grond die nodig was voor deze kerk. De eerste steen voor de Kleiwegkerk werd op 3 april 1878 door de toenmalige pastoor en deken P.C.Th. Malingré gelegd. Het schip van de kerk werd 38 meter hoog en 50 meter lang. De bouw liep zeer voorspoedig en op 15 oktober 1879 werd de kerk door Monseigneur Snickers, bisschop van Haarlem, ingewijd. Helaas zonder torenspits want het geld was op en deze zou later in 1902, kosten 15000 gulden, alsnog op de toren geplaatst worden. De kerk had een prachtig orgel en een bijzonder interieur. Het bijzonder gebeeldhouwd klankbord boven de preekstoel, dat een kasteelachtige rand vertoonde, was van de hand van beeldhouwer Fernemont. Later werd het vervangen door een schelpvormig bord. Het hoofdaltaar werd ontworpen door beeldhouwer Pierre Peters uit Antwerpen. Indrukwekkend was het beeld van Maria met het dode lichaam van Christus op haar schoot, deze piëta stond in de doopkapel die voorzien was van een mooie betegeling. De muren van het schip waren versierd met prachtige kruiswegstaties, ontworpen door F. de Vriendt. In 1954 werd met een groot feest het 75-jarig bestaan van de Kleiwegkerk gevierd. Nauwelijks tien jaar later werd de kerk afgebroken omdat er mede door de leegloop geen ruimte meer was voor twee grote kerken in het centrum van Gouda. Op 1 augustus 1964 werd met de sloop begonnen, waarbij het altaar, de kruiswegstaties en gebrandschilderde ramen werden verwoest. Begin 1965 werd het kaalgeslagen terrein opgeleverd en werd er gestart met de bouw van een modern winkelcentrum. Waar nu de ingang van C&A en Blokker is, stond vroeger de Kleiwegkerk.
  • Klooster van de Collatiebroeders
    Het complex van de Collatiebroeders (een mannenenklooster), ook wel het Collatiehuis of het Sint-Paulusconvent genoemd lag tussen de Jeruzalemstraat, de Groeneweg en de Patersteeg. Na de hervorming werd het complex voor meerdere doeleinden gebruikt, onder andere als looihal ten behoeve van het keuren van wollen stoffen. Ook is het complex in gebruik geweest als gevangenis en als kazerne. In 1943 werden het gebouw afgebroken. Slechts de met dit klooster verbonden Jeruzalemkapel is bewaard gebleven.
  • Luthersche Kerk
  • Margarethaklooster
    Het Margarethaconvent (een vrouwenklooster) ook wel Sint-Margrietklooster genoemd lag op een terrein tussen de Spieringstraat en de Groeneweg. Het klooster was een van de meest welvarende kloosters van Gouda. Het klooster was in 1386 gesticht door Machteld Cosijns. De kloostergebouwen werden door een soldaten van de geuzenaanvoerder Lumey in 1572 in brand gestoken. Het complex werd daarna geheel afgebroken. Het terrein werd nog geruime tijd daarna aangeduid als het verbrande erf.
  • Maria Magdalenaklooster
    Het Maria-Magdalenaklooster was een kloostercomplex voor bekeerde prostituees. Het vrij grote complex lag op een terrein van wat later de Nieuwe Markt werd genoemd. Na de hervorming werden de gebouwen afgebroken.Op deze plaats werd een pesthuis gebouwd. Later deed dit gebouw dienst als kazerne en na het verdwijnen van de militairen uit Gouda werd hier het Veemarktrestaurant gevestigd. Na 1987 werd het complex omgevormd tot winkelcentrum, met wooneenheden en een bioscoop.
  • Minderbroedersklooster
    Het Minderbroederklooster (een mannenenklooster) werd in het begin van de 15e eeuw gesticht. Het complex lag tussen de Spieringstraat en de Groeneweg aan de zuidzijde van beide straten en grensde aan het Kasteel van Gouda. De minderbroeders verzorgden regelmatig preekbeurten in de Goudse Sint-Janskerk. Na de hervorming werd het kloostercomplex in 1576 te koop aangeboden om te worden afgebroken. De Minderbroedersteeg is een herinnering aan de plaats waar het klooster heeft gestaan.
  • Noodgods Gasthuis
  • R.K. Lieve Vrouwe Kerk
  • Remonstranten Kerk
    Lange tijd was Gouda het bolwerk van de remonstranten in Holland. In 1618 kwam hieraan een einde door persoonlijk ingrijpen van prins Maurits. Vanaf dat jaar maakten de contra-remonstranten de dienst uit op kerkelijk gebied. Het werd de remonstranten verboden kerkdiensten te houden en hun predikanten werden afgezet. Desondanks kwamen zij waar dat maar enigszins mogelijk was bijeen: in huizen, buiten de stadsmuren, in lijnbanen, ja zelfs op het ijs. In 1629 kochten de remonstranten in de Keizerstraat een huis dat doorliep tot aan de Raam. Hiervan werd het achterste deel ingericht tot een 'predikplaats', terwijl het voorhuis dienst deed als pastorie. Deze kerk werd in 1870 afgebroken, waarna op dezelfde plaats een nieuw bedehuis verrees met een karakteristiek portaalgebouwtje als entree. In 1967 stond de Remonstrantse Gemeente voor de moeilijke keus: behoud van een predikantsplaats of van de kerk. Gekozen werd voor de predikantsplaats. Het gebouw deed daarna nog dienst als opslagplaats om tenslotte in 1988 te worden gesloopt met uitzondering van het portaalgebouwtje, dat thans prachtig gerestaureerd is.
  • Roomsgezinde Kerken
  • Sacramentskerk
  • Catharina Gasthuis
  • Sint Janskerk
    Van slotkapel tot parochiekerk De oorsprong van de huidige Sint-Janskerk ligt in de dertiende eeuw. Dan staat er op de plaats van het huidige westelijk gedeelte, een klein bakstenen zaalkerkje. Het is de slotkapel van het nabijgelegen kasteel dat toebehoort aan de eerste machthebbers over de stad. Als Gouda in 1272 stadsrechten krijgt ontstaat er behoefte aan een parochiekerk, de kapel wordt als zodanig in 1278 in gebruik genomen. Na de stadsbranden van 1361 en 1438 wordt de kerk niet alleen hersteld maar ook fors uitgebreid. Het koor wordt in 1510 gewijd, daar staat ook het hoofdaltaar van de patroonheilige van de kerk: Johannes de Doper. Grote veranderingen In januari 1552 wordt de kerk voor de derde maal door brand getroffen, nu door blikseminslag in de toren. Bij de herbouw vinden enkele ingrepen plaats, die het interieur veranderen ten opzichte van de oude situatie. Sponsors maken het mogelijk om de kerk weer te voorzien van gebrandschilderde glazen. Als Gouda in 1572 de zijde van de Prins van Oranje kiest, wordt de kerk een jaar later aan de protestanten toegewezen. Van 1590 tot 1593 wordt het middenschip verhoogd met een lichtbeuk. Ook het plaatsen van gebrandschilderde glazen wordt voorgezet. Toren en klokken Tijdens de uitbreiding van de kerk in 1350 wordt begonnen met de bouw van een toren, die is later verhoogd tot vier geledingen. Hoewel hij na de brand van 1552 is hersteld, blijft hij bouwvallig. Na nog enkele malen in de steigers te hebben gestaan, blijkt de toestand halverwege de zeventiende eeuw stabiel. Er worden dan 34 klokken geplaatst van de beroemde Pieter Hemony. Het carillon dat nu in de toren hangt bevat 50 klokken, zestien daarvan zijn nog van Hemony. Dit carillon is eigendom van de gemeente Gouda. De vier luiklokken behoren bij de kerk. Die worden nu langs elektrische weg in werking gezet, vroeger waren daar vijf klokluiders in vaste dienst voor nodig. De orgels van de kerk Om de kerk, die tevens dient als visitekaartje voor de stad nog meer aanzien te geven, wordt ook aandacht besteed aan de orgels. Het orgel dat na de brand van 1552 wordt gebouwd, is in 1736 vervangen door het huidige instrument van Jean François Moreau in de westzijde van de kerk. In 1975 is voor speciale diensten en concerten een kleiner orgel van Ernst Leeflang Orgelbouw in het koor geplaatst. Meubilair In de achttiende eeuw ontstaat een 'deftig' interieur met een nieuw koorhek en vijf herenbanken voor de elite van de stad. In het begin van de negentiende eeuw worden de preekstoel en het doophek vernieuwd. In 1832 komt aan het begraven in en om de kerk een eind, het is dan niet meer nodig dat banken en stoelen los staan. In 1853 wordt rondom de preekstoel een 'amfitheater' van banken gebouwd, dat, zij het in aangepaste vorm nog steeds in gebruik is.