-
Gevangenhuis voor Veroordeelde Vrouwen
-
Geweermagazijn
-
Gouwekerk
De omwenteling die plaats vond na de reformatie van 1572 betekende tevens het einde van de tien Goudse kloosters. Het minderbroedersklooster werd tot de grond toe afgebroken, maar enkele tientallen jaren later keerden de franciscanen terug als missionarissen. Hun eerste pater was in 1633 de uit Luik afkomstige Gregorius Simpernel. Aanvankelijk droeg hij in het geheim de mis op in particuliere woningen en vestigde zich vervolgens definitief in een huis aan de Hoge Gouwe met de naam Het Cromhout. Het werd een van de schuilkerken, waar het groeiend aantal rooms-katholieken bijeen kwam. Deze huiskerk werd in 1732 vervangen door nieuwbouw, maar brandde in juli 1767 tot de grond toe af. Direct werd een houten loods opgericht om de misvieringen te kunnen voortzetten. Tegelijk lagen de bouwplannen - vermoedelijk van Pieter de Swart - voor een nieuwe kerk al klaar. Die zou 22 meter lang en 13 meter breed worden met negen meter hoge zijmuren met achter het koor een sacristie. Het was een neoclassicistische galerijkerk met een gedrukt gewelf, goed verlicht door de grote ramen in beide verdiepingen.
Na het herstel van de hiërarchie in 1853 volgde in 1856 de verheffing tot parochiekerk genaamd Sint-Jozef. De voor de kerk gelegen huizen werden in 1877 afgebroken, waardoor een voorplein ontstond. Na verloop van tijd was de kerk te klein en werd gedacht aan een nieuw bedehuis. Tussen 1902 en 1904 verrees de huidige neo-gotische kerk, maar ontwerp van de architect C.P.W. Dessing, die in de volksmond de naam 'Gouwekerk' kreeg. Ze werd uit rode baksteen opgetrokken in de vorm van een driebeukige kruisbasiliek met een door zijkapellen geflankeerd, vijfzijdig gesloten koor. De beide transeptarmen zijn eveneens vijfzijdig gesloten, de kerk is geheel overkluisd met kruisribgewelven. Ten noorden van het koor werd een ruime sacristie aangebouwd. De tachtig meter hoge toren met zeshoekige houten spits is mede bepalend voor het stadsbeeld. De voorgevel bevat drie portalen met zogenaamde wimbergen (steile topgevels in gotische stijl), geflankeerd door achthoekige traptorens die ter hoogte van de dakvoet door middel van een uitgekraagde loopgang met elkaar zijn verbonden. Binnen zijn aan de muren nog kruiswegstaties te zien, maar veel van de interieurstukken uit de tijd dat het een rooms-katholiek bedehuis was zijn verdwenen.
In 1972 besloot het kerkbestuur om het gebouw te verkopen, het onderhoud was een té zware last geworden. Het voortbestaan van de kerk was opeens onzeker, wat tot grote onrust onder de plaatselijke bevolking leidde. De vrees was groot dat de kerk zou worden afgebroken om plaats te maken voor de bouw van woningen. In 1979 kwam de kerk in bezit van de Stichting Johan Maasbach Wereldzending voor het symbolische bedrag van één gulden, maar wel met een restauratieplicht die miljoenen guldens zou vergen. De pastorie naast de kerk is vijftien jaar eerder gebouwd dan de kerk, ook in een neo-stijl, maar in dit geval die van de renaissance. Dat is zichtbaar aan de gepleisterde banden en blokken, het siermetselwerk in de boogtrommels, de zuiltjes en rijke topgevel. De kerk staat er tegenwoordig wat verwaarloosd bij en wacht kennelijk op betere tijden.
-
Groote Volmolen
-
Gymnasium
-
Infermerie
-
Jeruzalemkapel
Vanuit kunsthistorisch perspectief is na de Sint-Janskerk de Jeruzalemkapel zonder twijfel het belangrijkste kerkelijke gebouw in onze stad. Gouda dankt de kapel aan priester Gijsbert Raet, vicaris van het Sint-Andriesaltaar in de Sint-Janskerk, die ergens tussen 1478 en 1487 een pelgrimsreis naar Jeruzalem maakte. Dat waren kostbare, avontuurlijke en niet zelden riskante ondernemingen, maar het leek wel of dat de reizen alleen maar aantrekkelijker maakte. Grotere steden kenden Jeruzalembroederschappen van ex-bedevaartgangers die zorgden voor de bouw van een kapel om te bedanken voor hun behouden terugkeer. Zo ook Gouda, waar de broederschap 8 i.p.v. de vereiste 12 leden telde. Op Palmzondag hield ze een processie, met palmtakken en een houten Christusbeeld, geplaatst op een (houten) ezel. In Gouda was het echter Gijsbert Raet die in zijn eentje de bouw van de kapel bekostigde. Hij koos een locatie naast het collatiehuis, waaraan hij de kapel schonk op voorwaarde dat zij er twaalf missen per week zouden opdragen. Na zijn dood in 1511 werd Raet in zijn kapel begraven. Een replica van zijn grafzerk bevindt zich in de Sint-Janskerk. De helft van het origineel ligt in het MuseumgoudA en de gegraveerde bronzen platen die ooit de grafsteen sierden, maken nu deel uit van de collectie van het Rijksmuseum te Amsterdam.
Het bijzondere aan Jeruzalemkapellen, waarvan er ooit vele tientallen in Europa te vinden waren, is dat ze de Heilig-Grafkerk te Jeruzalem imiteren. Omdat de Jeruzalemkapel in Gouda de gaafst bewaarde kapel van dit type in Nederland is, kunnen we ons hier nog heel goed een voorstelling van een complete Jeruzalemkapel maken. Kenmerkend is de sleutelvormige plattegrond, bestaand uit een twaalfzijdig deel en een rechthoekige aanbouw. Het twaalfzijdige deel heeft aan de binnenzijde een koepelvormig gewelf.
Vervolgens namen de Heilige Geestmeesters bezit van het broederconvent en vestigden daar het Heilige Geestweeshuis. Of de Jeruzalemkapel daar ook bij werd gevoegd, is niet bekend. Na de omwenteling van 1572 kwam de kapel in handen van het stadsbestuur. Omstreeks 1598 werd de kapel ingericht als vergaderkamer van de aalmoezeniers, een in 1586 gesticht college van armenzorg voor het niet-burgerlijke deel van de stadsbevolking. In de eerste decennia van de zeventiende eeuw namen de aalmoezeniers het tegenover de Jeruzalemkapel gelegen terrein van het voormalige Margarethaklooster in gebruik als weeshuis. Intussen hielden ze de Jeruzalemkapel aan als kantoor, en dat bleef zo tot de samenvoeging van de twee colleges van armenzorg in 1812. In de twintigste eeuw deed zij onder meer dienst als atelier van een glasschilder en als tentoonstellingsruimte van Kunstcentrum Burgvliet.
De Jeruzalemkapel kreeg haar huidige uiterlijk grotendeels in de negentiende en de twintigste eeuw. De kapel bezat een in architectonische zin bijzonder uiterlijk. Aan de buitenzijde ziet men in de muurvlakken hoog geplaatste spitsboognissen. Deze waren afwisselend volledig blind of aan de bovenzijde half geopend. Binnen zijn daaronder in enkele muurvlakken nog ronde blindnissen zichtbaar. Het twaalfzijdig stergewelf wordt gedragen door twaalf muurschalken. De veranderingen aan het twaalfzijdige deel zijn minder in het oog lopend, maar niettemin groot. Ten eerste stond het ooit ook aan de oostzijde vrij en had het in negen van de twaalf gevelvlakken vensternissen. Maar dat waren niet allemaal spitsboogvensters zoals nu. Oorspronkelijk waren de wanden om en om voorzien van kleine spitsboogvensters. In totaal waren dat er vier en ze zaten bovendien op grote hoogte. Daaronder was nog plaats voor grote ronde blindnissen, op elk van de negen wanden een. Omstreeks 1860 werd de kapel in neogotische trant gerestaureerd, bij welke gelegenheid hij werd voorzien van de nog bestaande grote spitsboogvensters.
Niet alleen aan het uiterlijk, ook aan de inrichting van de kapel besteedde Raet veel aandacht. Zo zorgde hij onder andere voor een altaar met een fraai drieluik en een (handgeschreven!) missaal. Van het interieur weten we dat er in het midden van de twaalfhoek een schaalmodel van het Heilige Graf stond. Waarschijnlijk was dit ook een imitatie van het grafmonument dat in Jeruzalem in de Heilig-Grafkerk te zien was.
-
Kanonhuis of Bergplaats
-
Klapwacht
-
Kleine Volmolen
-
Kleiwegkerk
Deccenia lang werd Gouda gedomineerd door de in de volksmond bekende 'Kleiwegkerk'. Voor men met de bouw kon beginnen moest er ruimte gemaakt worden. Zeven huizen en twee pakhuizen werden opgekocht en gesloopt en een stukje braakliggende grond zorgde tezamen voor 1578 vierkante meter grond die nodig was voor deze kerk.
De eerste steen voor de Kleiwegkerk werd op 3 april 1878 door de toenmalige pastoor en deken P.C.Th. Malingré gelegd. Het schip van de kerk werd 38 meter hoog en 50 meter lang. De bouw liep zeer voorspoedig en op 15 oktober 1879 werd de kerk door Monseigneur Snickers, bisschop van Haarlem, ingewijd. Helaas zonder torenspits want het geld was op en deze zou later in 1902, kosten 15000 gulden, alsnog op de toren geplaatst worden.
De kerk had een prachtig orgel en een bijzonder interieur. Het bijzonder gebeeldhouwd klankbord boven de preekstoel, dat een kasteelachtige rand vertoonde, was van de hand van beeldhouwer Fernemont. Later werd het vervangen door een schelpvormig bord. Het hoofdaltaar werd ontworpen door beeldhouwer Pierre Peters uit Antwerpen. Indrukwekkend was het beeld van Maria met het dode lichaam van Christus op haar schoot, deze piëta stond in de doopkapel die voorzien was van een mooie betegeling. De muren van het schip waren versierd met prachtige kruiswegstaties, ontworpen door F. de Vriendt.
In 1954 werd met een groot feest het 75-jarig bestaan van de Kleiwegkerk gevierd. Nauwelijks tien jaar later werd de kerk afgebroken omdat er mede door de leegloop geen ruimte meer was voor twee grote kerken in het centrum van Gouda. Op 1 augustus 1964 werd met de sloop begonnen, waarbij het altaar, de kruiswegstaties en gebrandschilderde ramen werden verwoest. Begin 1965 werd het kaalgeslagen terrein opgeleverd en werd er gestart met de bouw van een modern winkelcentrum. Waar nu de ingang van C&A en Blokker is, stond vroeger de Kleiwegkerk.
-
Kleiwegpoort
-
Klooster van de Collatiebroeders Het complex van de Collatiebroeders (een mannenenklooster), ook wel het Collatiehuis of het Sint-Paulusconvent genoemd lag tussen de Jeruzalemstraat, de Groeneweg en de Patersteeg. Na de hervorming werd het complex voor meerdere doeleinden gebruikt, onder andere als looihal ten behoeve van het keuren van wollen stoffen. Ook is het complex in gebruik geweest als gevangenis en als kazerne. In 1943 werden het gebouw afgebroken. Slechts de met dit klooster verbonden Jeruzalemkapel is bewaard gebleven.
-
Kostschool Voor Jonge Heeren
-
Kostschool Voor Jonge Jufvrouwen
-
Kostschool voor jonge jufvrouwen van de wed van Meerten
-
Kruidhuis
-
Latijnse school
-
Lazaruspoortje In 1579 werd een gedeelte van het St. Mariaklooster opengesteld als opvanghuis voor de melaatsen, het zogenoemde ‘leprooshuis’. Dertig jaar later, in 1609, werd een toegangspoort geplaatst. De naam ‘Lazaruspoortje’ verwijst naar Lazarus, de berschermheilige van de melaatsen. Het reliëf dat boven de lijst is aangebracht, toont de gelijkenis van Lazarus en de rijke man uit het evangelie van Lucas (hoofdstuk 16,vers 19-31). De berooide en melaatse Lazarus bedelt bij de rijke man om eten, maar deze trekt zich niets van hem aan. Lazarus sterft en komt in de hemel, in tegenstelling tot de rijke man. Het verhaal leerde een les over naastenliefde en riep op tot zorg voor de armen.
Het reliëf is van de hand van de bekende Goudse beeldhouwer Gregorius Cool (ca. 1570-1629). Lazarus is bovenaan afgebeeld, liggend in de armen van Abraham. Aan weerszijden van de tafelscène zijn twee melaatsen uitgebeeld die respectievelijk een aalmoezenschaaltje en een lazarusklepper vasthouden.
In 1940 is het Gemeentelijk Energie Bedrijf (G.E.B.) in het voormalige leproos- en proveniershuis gevestigd. In dit jaar moet het poortje vanwege nieuwbouw worden afgebroken. Het wordt geschonken aan het stedelijk museum, dat het poortje aanvankelijk opslaat. In 1965 wordt het poortje aan Achter de Kerk geplaatst en sindsdien vormt het Lazaruspoortje de toegang tot de binnenplaats het museumgoudA.
-
Looihal